Terug naar Blog
Technische analyse

Omgekeerde hybride entiteit: hoe art. 12ae Wet Vpb de CV aanpakt

Een omgekeerde hybride entiteit (ook wel reverse hybrid) is een entiteit die in Nederland fiscaal transparant is, maar door de staat van een of meer buitenlandse deelnemers als niet-transparant (zelfstandig belastingplichtig) wordt gezien. Art. 12ae Wet Vpb 1969, van kracht sinds 1 januari 2022, maakt zo'n entiteit in Nederland zelfstandig VPB-plichtig om te voorkomen dat inkomsten nergens worden belast.

De subtitel dekt de kern: vanaf 1 januari 2022 is een in Nederland fiscaal transparante entiteit die door buitenlandse deelnemers als niet-transparant wordt behandeld, zelf VPB-plichtig. Art. 12ae Wet Vpb 1969 sluit dit gat dat zonder deze bepaling in de meeste grensoverschrijdende CV-structuren onbenut zou blijven.

Wat is een omgekeerde hybride entiteit?

Om de omgekeerde hybride te begrijpen, helpt het om eerst de gewone hybride in gedachten te nemen. Een gewone hybride entiteit is transparant in het buitenland maar opaque (zelfstandig belastingplichtig) in Nederland. De omgekeerde situatie is precies spiegelbeeldig: de entiteit is transparant in Nederland maar wordt door een of meer buitenlandse participanten als niet-transparant aangemerkt in hun thuisstaat.

De commanditaire vennootschap (CV) is het meest voorkomende voorbeeld. Een besloten CV is voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant: de winst stroomt rechtstreeks door naar de vennoten en wordt bij hen in de heffing betrokken. Stel dat een buitenlandse investeerder (bijvoorbeeld een Amerikaans bedrijf) 60% van de deelgerechtigdheid houdt en die CV naar Amerikaans recht als een corporation behandelt. Vanuit Amerikaans perspectief is de CV een zelfstandige entiteit die zelf belasting betaalt, waarna uitkeringen als (deels vrijgesteld) buitenlands dividend worden behandeld.

Het gevolg is een mismatch: Nederland belast de CV-winst niet (transparant, dus bij de vennoten), maar de buitenlandse aandeelhouder betaalt in zijn thuisland ook geen belasting over zijn aandeel in de winst (want hij ziet een opaque entiteit die zelf belasting zou moeten betalen). De inkomsten vallen tussen wal en schip. Dit is de omgekeerde hybride mismatch.

Kernpunt

De mismatch ontstaat niet doordat de CV iets onrechtmatigs doet. Ze ontstaat puur door het verschil in kwalificatie tussen twee rechtsstelsels. Art. 12ae lost dit op door de CV zelf belastingplichtig te maken voor het deel van de winst dat door de kwalificatiemismatch onbelast blijft.

De 50%-drempel van art. 12ae

Art. 12ae Wet Vpb 1969 hanteert een drempel van 50% van de stemrechten, het kapitaal of de winstrechten. Dit is bewust hoger dan de 25%-drempel die geldt voor de gelieerdheidsdefinitie van art. 12ac (de hoofdregel voor hybride mismatches bij D/NI-situaties). De hogere drempel vloeit voort uit art. 9a van de EU-richtlijn ATAD2, die dezelfde 50%-grens voorschrijft voor omgekeerde hybride entiteiten.

Eén buitenlandse participant kan de drempel alleen overschrijden, maar de wet laat ook toe dat meerdere gelieerde buitenlandse deelnemers samen de 50% bereiken. Bij de beoordeling worden verbonden lichamen en verbonden natuurlijke personen samengeteld. Als een concern via twee dochtervennootschappen respectievelijk 30% en 25% houdt, wordt de drempel gezamenlijk overschreden.

Daarbij gaat het uitsluitend om deelnemers die de entiteit in hun thuisstaat als niet-transparant beschouwen. Een buitenlandse participant die de CV ook als transparant kwalificeert, telt niet mee voor de 50%-toets. De mismatch kan dus alleen ontstaan bij participanten wier thuisland de kwalificatie anders maakt.

Parameter Art. 12ae (reverse hybrid) Art. 12ac (D/NI hoofdregel)
Drempel gelieerdheid 50% stemmen, kapitaal of winst 25% stemmen, kapitaal of winst
Grondslag EU-richtlijn ATAD2 art. 9a ATAD2 art. 9
Inwerkingtredingsdatum NL 1 januari 2022 1 januari 2020
Typische entiteit Besloten CV, fonds voor gemene rekening Hybride financieringsinstrumenten, hybride entiteiten

Wat veranderde per 1 januari 2022?

Voor 1 januari 2022 kende de Wet Vpb 1969 geen specifieke bepaling voor omgekeerde hybride entiteiten. De artikelen 12aa tot en met 12ad (het primaire stelsel voor hybride mismatches) waren al per 1 januari 2020 ingevoerd als implementatie van ATAD2, maar de reverse hybrid-bepaling was uitgesteld tot 2022 conform de in ATAD2 voorziene overgangsperiode.

Met ingang van 1 januari 2022 is art. 12ae in werking getreden. De bepaling werkt als volgt: als een in Nederland transparante entiteit voldoet aan de 50%-toets (en de kwalificatiemismatch leidt tot onbelaste inkomsten), wordt die entiteit voor de VPB behandeld als een zelfstandig belastingplichtig lichaam. De heffing geldt alleen voor het deel van de winst dat toerekenbaar is aan de kwalificerende buitenlandse deelnemers, en alleen voor zover dat deel niet al ergens anders in de heffing is betrokken.

Voor de CV betekent dit concreet:

  • De CV wordt zelf VPB-plichtige en moet een aangifte vennootschapsbelasting indienen.
  • De winst toerekenbaar aan de kwalificerende buitenlandse deelnemers wordt belast bij de CV (tarief 19% tot € 200.000, daarboven 25,8% in 2025 en 2026).
  • Alle andere VPB-verplichtingen gelden volledig: administratieplicht, aangifte, aanslagregeling en eventuele boetes bij verzuim.
Let op: bestaande structuren

Structuren die vóór 2022 zijn opgezet en nooit zijn getoetst aan art. 12ae, dienen met terugwerkende kracht te worden beoordeeld voor alle nog openstaande aanslagjaren. Bij een gestructureerde beoordeling kan worden vastgesteld of naheffingen en boetes dreigen.

Het kwalificatiebeleid rechtsvormen per 1 januari 2025

Op 1 januari 2025 trad de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen in werking. Deze wet vervangt het oude, grotendeels op jurisprudentie gebaseerde kwalificatiekader door een wettelijk gecodificeerd stelsel. De impact op art. 12ae kan aanzienlijk zijn.

Het kwalificatiebeleid bepaalt hoe Nederland buitenlandse rechtsvormen indeelt: als transparant (fiscaal kijk-door) of als opaque (zelfstandig belastingplichtig). Een buitenlandse entiteit die vóór 2025 door Nederland als transparant werd aangemerkt, kan vanaf 2025 als opaque worden beschouwd, of omgekeerd. Dit heeft twee directe gevolgen voor de reverse hybrid-analyse:

  • Nieuwe mismatches kunnen ontstaan. Als een buitenlandse participant die voorheen als transparant gold, nu door Nederland als opaque wordt beschouwd, verandert de kwalificatie aan de Nederlandse kant. Dit kan een reverse hybrid-situatie creëren die vóór 2025 niet bestond.
  • Bestaande mismatches kunnen wegvallen. Andersom: als de herclassificatie ertoe leidt dat beide kanten de entiteit nu op dezelfde manier kwalificeren, verdwijnt de mismatch. De belastingplicht onder art. 12ae vervalt dan per 1 januari 2025.

De overgangsregeling bevat een fictieve vervreemding per 31 december 2024 voor entiteiten waarvan de kwalificatie wijzigt. Iedere ATAD2-analyse die vóór 2025 is opgesteld, dient voor de toepassing van art. 12ae integraal te worden herzien. Voor de VPB-aangifte 2025 (in te dienen in 2026) is dit geen optie maar een verplichting: de aangifte moet de juiste kwalificatie onder het nieuwe stelsel weerspiegelen.

Praktisch aandachtspunt

Structuren met een US LLC, een Duitse GmbH & Co. KG, een Luxemburgse SCS of een Britse LLP als participant moeten bijzonder alert zijn. Elk van die rechtsvormen heeft specifieke kwalificatiehistorie die door het nieuwe stelsel anders kan uitpakken.

Wanneer geldt art. 12ae niet?

Art. 12ae is niet van toepassing als het mismatched resultaat zich feitelijk niet voordoet. De wet is doelgericht: hij bestrijdt onbelaste inkomsten, niet hybriditeit als zodanig. Er zijn vier situaties waarin art. 12ae buiten toepassing blijft:

  1. Geen kwalificatiemismatch. Als alle relevante staten de entiteit op dezelfde manier kwalificeren (allemaal transparant of allemaal opaque), is er geen mismatch en geldt art. 12ae niet. De entiteit blijft voor Nederland transparant.
  2. Inkomsten zijn elders in de heffing betrokken. Als de winst die aan de buitenlandse participant is toe te rekenen, in zijn thuisstaat of in een derde staat feitelijk aan een belastingheffing is onderworpen, is de mismatch materieel geneutraliseerd. Art. 12ae is dan niet nodig om dubbele niet-heffing te voorkomen.
  3. De drempel van 50% wordt niet bereikt. Zolang buitenlandse deelnemers die de entiteit als niet-transparant behandelen, gezamenlijk minder dan 50% houden, treedt de bepaling niet in werking. De entiteit blijft transparant voor de VPB.
  4. Dual resident-uitzondering. Bepaalde situaties waarbij de entiteit al op grond van een andere bepaling (bijvoorbeeld als gevolg van een effectieve bestuursplaats) zelfstandig belastingplichtig is, vallen niet nogmaals onder art. 12ae. De bepaling is subsidiair van aard.

Het is van belang dat de belastingplichtige de afwezigheid van een mismatch aantoonbaar kan maken. Zoals beschreven bij de documentatieplicht (zie hieronder), legt art. 12ag de bewijslast bij de belastingplichtige als er geen adequate documentatie beschikbaar is.

Documentatie voor art. 12ae

De documentatieplicht van art. 12ag Wet Vpb 1969 geldt ook voor de reverse hybrid-toets. Elke in Nederland transparante entiteit met buitenlandse participanten dient de volgende elementen vast te leggen:

  • Kwalificatie door elke buitenlandse participant. Voor elke directe of indirecte buitenlandse aandeelhouder of vennoot: hoe kwalificeert zijn thuisstaat de Nederlandse entiteit? Transparant of niet-transparant? Dit vereist een jurisdictiespecifieke analyse, bij voorkeur onderbouwd door een lokaal belastingadvies of een extract uit de buitenlandse aangifte.
  • De 50%-toets per participant. Een berekening van de stemrechten, het kapitaalbelang en de winstgerechtigdheid, per kwalificerende buitenlandse deelnemer en in totaal.
  • Mismatch-conclusie per inkomstencategorie. Een overzicht per type inkomen (winst uit onderneming, rente, huur, royalty) waaruit blijkt of dat inkomen door de mismatch onbelast blijft.
  • Berekening van de VPB-grondslag. Als art. 12ae van toepassing is: een kwantificering van het deel van de winst dat aan de kwalificerende buitenlandse deelnemers is toe te rekenen en in de aangifte als belastbare winst wordt verantwoord.

Het moeilijkste onderdeel is doorgaans het verkrijgen van de buitenlandse kwalificatie. Een Nederlandse adviseur kan niet zelf vaststellen hoe het Amerikaanse, Britse of Duitse recht de CV behandelt. Hiervoor is een lokaal advies van een buitenlandse belastingadviseur nodig. Zonder dat advies staat de documentatie op losse schroeven.

Bewijslastomkering bij ontbrekende documentatie

Als de documentatie voor art. 12ae ontbreekt of onvolledig is, keert art. 12ag de bewijslast om: de belastingplichtige moet bewijzen dat de bepaling niet van toepassing is. Dit is in de praktijk een vrijwel onmogelijke opgave zonder de documentatie die er in de eerste plaats had moeten zijn.

Praktisch voorbeeld: open versus besloten CV

Om te begrijpen wanneer art. 12ae speelt, is het nuttig het onderscheid tussen open en besloten CV scherp te hebben.

De besloten CV: transparant voor de VPB

Een CV is besloten als de commanditaire vennoten niet vrijelijk kunnen toe- of uittreden (het zogenoemde toestemmingsvereiste). Een besloten CV is voor de VPB transparant: de winst wordt niet bij de CV belast, maar direct toegerekend aan de vennoten. Als alle vennoten in Nederland wonen of zijn gevestigd, is er geen mismatch en geldt art. 12ae niet.

Introductie van een buitenlandse commanditaire vennoot

Stel dat een Amerikaans moederbedrijf (US Co) 60% van de commanditaire rechten in de besloten CV houdt. US Co kwalificeert de CV naar Amerikaans recht als een corporation (een opaque entiteit). Vanuit Amerikaans perspectief betaalt de CV zelf belasting; uitkeringen zijn (deels vrijgesteld) dividenden.

De analyse onder art. 12ae verloopt dan als volgt:

  • De CV is in Nederland transparant: de winst stroomt door naar de vennoten en wordt in beginsel niet bij de CV belast.
  • US Co (60%-belang) kwalificeert de CV als niet-transparant: US Co verwerkt het aandeel in de CV-winst niet in haar Amerikaanse belastingaangifte, in de verwachting dat de CV zelf belasting betaalt.
  • De 50%-drempel is overschreden (60% van de stemmen/kapitaal/winst).
  • Het deel van de CV-winst toerekenbaar aan US Co (60%) dreigt nergens belast te worden.
  • Art. 12ae treedt in werking: de CV wordt voor dat deel van haar winst zelfstandig VPB-plichtig.

Het resultaat is dat de CV voor 60% van haar winst aangifte VPB doet en die winst als belastbaar inkomen verantwoordt. De resterende 40% (toerekenbaar aan Nederlandse vennoten die de CV als transparant behandelen) blijft bij de vennoten belast en valt buiten art. 12ae.

Wat als de kwalificatie in de VS wijzigt?

Stel dat US Co besluit om de CV voor Amerikaanse doeleinden via een "check-the-box"-keuze als een partnership te behandelen (transparant). Dan kwalificeert US Co de CV op dezelfde manier als Nederland: transparant. Er is geen kwalificatiemismatch meer. Art. 12ae is niet langer van toepassing, mits de winst ook daadwerkelijk bij US Co in de Amerikaanse heffing terechtkomt. Dit illustreert hoe de reverse hybrid-mismatch door een gerichte aanpassing aan buitenlandse zijde kan worden weggenomen, zonder de Nederlandse structuur te wijzigen.

Wil je weten of jouw structuur een omgekeerde hybride mismatch bevat? Doe de gratis risicocheck en krijg binnen vijf minuten een eerste indicatie van je ATAD2-blootstelling.

HybridMismatch.com

Controleer of jouw structuur onder art. 12ae valt

De gratis risicocheck stelt de belangrijkste vragen over jouw grensoverschrijdende structuur en geeft direct een indicatie van je ATAD2-blootstelling. Geen adviesrelatie, geen verplichtingen.